Tuesday, October 9, 2007

Surinamereis

Ik was aan het zoeken op mijn oude laptop en ik kwam het verslag avn mijn Surinamereis tegen. Ik plak het hier even en dn ga ik op zoek naar de foto's. Valt denk ik wel iets van te maken. Tis maar dat het hier is opgeslagen.
Zaterdag 5 november
Om half 11 op het vliegveld van Cayenne, Frans Guyana: Jan en ik wilden eerst naar de wc, voordat we langs de douane gingen. We bleken de laatsten te zijn, die de luchthaven verlieten: zelfs de douane was al verdwenen. We stonden snel met onze bagage op een bijna verlaten vliegveld. Op onze terugreis zou het vliegveld nog meer verlaten zijn, die keer om half zes ‘s morgens. Ik heb daar toen een mooie geluidsopname gemaakt van de vogeltjes in de palmbomen vóór op het plein van het vliegveld. Ook toen werd trouwens onze bagage niet gecontroleerd.
De laatste paar auto’s zagen we vertrekken. We keken nog of er een bus stond, maar nee. En mijn blik werd getrokken naar de enige taxi die er stond. Maar Jan liep gauw naar het begin van de openbare weg en zei dat hij geen zin had om een taxi te betalen. Ik zette mijn weekend tas op de grond en rommelde nog wat aan terwijl Jan zijn duim in de hoogte stak.
Ik zelf dacht ondertussen nog. “Straks is de taxi toch de laatste auto.”
Maar Jan zei:” steek ook je duim eens op.”
En dat deed ik dan maar. De voorlaatste auto die van het vliegveld verdween stopte bij ons en bracht ons, heel aardig, naar hotel Central in het slapende Cayenne. Jan had gelijk met te gaan liften. Nu konden we tenminste een lekker hotel betalen. Er was airconditioning, die niet te hard aanstond en een lekker bed.
De volgende morgen gingen we op zoek naar de Place des Palmistes, (handlezers, dacht ik, hoewel er veel palmbomen stonden.) Vandaar zouden de busjes naar St. Laurent vertrekken.
Na even zoeken vonden we de busjes op een andere plek. 35 Euro vaste prijs naar de Marowijne, de grensrivier met Suriname. Het busje vertrekt pas als het vol is. Gelukkig hoefden we maar een uur te wachten. Dat kan soms een halve dag duren. Om 10 uur waren we vertrokken en vóór 1 uur werden we in St. Laurent afgezet bij het Franse douanekantoor aan de rivier. Rond die tijd kwamen de scholen uit in St. Laurent. De leerlingen hebben daar als uniform een spijkerbroek of spijkerrok met een rood t-shirt aan. In Suriname zouden we zien dat ze daar een spijkerbroek/rok met een lichtblauw overhemd met korte mouw droegen, de middelbare school dan; de basisschoolleerlingen een groen/blauw gekleurd bloesje.

We stapten in een korjaal, een langwerpige open houten boot met een grote buitenboordmotor achterop. In vijf minuten was het aan de overkant. Daar, aan de Surinaamse kant, werden we belaagd door een horde buschauffeurs, die allemaal snel naar Paramaribo wilden brengen. Jan sprak iets af met een chauffeur Maar ik zei dat ik naar de wc wilde. Er stond meteen een vrouw op uit het busje die me wel naar een toilet wilde brengen. Maar ik zei tegen Jan dat ik toch eerst wel wat van Albina, zo heet het stadje, wilde zien.
En Jan zei:”O ja je hebt gelijk.” en verklaarde dat hij door de mensen meegesleept werd en vergeten was dat we voor ons plezier de tocht via Frans Guyana maakten. We vonden een leuk restaurantje, met een schone wc. Jan ging bellen naar Marcia en Jacob. Die vertelde hem dat we op moesten schieten : de bruiloft was twee dagen vervroegd. Om vijf uur moesten we in de kerk zijn. Het was nu half twee. Wij zijn snel weer opgestaan. Het busje dat we zouden pakken was verdwenen. Maar er stond natuurlijk alweer een andere chauffeur klaar die ons verzekerde dat hij meteen zou vertrekken. Dat was wel zo, maar hij moest eerst nog wat omtrekkende bewegingen maken plus ook nog iemand erin en eruit en weer een ander erin en even langs het politiebureau waar heel veel belangrijke dingen besproken moesten worden. Ik dacht dat onze chauffeur daar eerst stond te praten, maar het was de bijrijder, of toch de chauffeur. Later stonden ze er alletwee te praten. Alles bij elkaar duurde dat een half uur. En wij zaten op hete kolen vanwege de bruiloft. Jan ging ook nog even op het bureau kijken. Meldde bij terugkomst dat de politie hem had verzekerd dat het nog maar vijf minuten zou duren. Ik las later in de Surinaamse krant, De Ware Tijd dat dat politiebureau werkelijk gebrek aan alles heeft. Er is geen computer en geen bed voor als er iemand ‘s nacht op het bureau moet blijven.
Ondertussen durfde ik wel, zoals de vrouwen die voor mij in het busje zaten een zakje met afval naar buiten te gooien: er lag al een hele hoop. Ik zal niet die reis in de trein in Pakistan vergeten, waarin ik het niet over mijn hart kon verkrijgen het afval op de vloer te gooien. Waarna ik dus later met het afval in mijn tas zat en de trein door een schoonmaker schoongeveegd was.
Toen de beide mannen weer in de auto stapten zag ik ook dat de chauffeur de chauffeur niet was. In Suriname rijden ze aan de linkerkant van de weg en het stuur zit dus rechts in de auto. Dat had ik eerder nog niet opgemerkt.

Het was niet zo’n best busje; de vering deed het niet zo goed. Maar de chauffeur scheurde wel. Ik zat achterin en ik kon niet met mijn voeten op de grond. Bovendien was de weg niet zo best—volgens Jan véél beter dan vier jaar geleden. Maar ik vloog dus bij elke bobbel in de lucht, bijna tegen het dak aan. Er was ons verzekerd dat we om vier uur in Paramaribo zouden zijn. En jawel we stonden ruim op tijd voor het mooie, houten kerkje. Terwijl de bus de stad binnenreed, hadden we schone kleren aangetrokken. Bezweet van de reis, maar een douche zat er niet meer in. Ik heb nog op het kerkplein mijn ogen een beetje opgemaakt. Jan was niet geschoren, maar toch zagen we er nog redelijk uit (vonden we zelf).
De huwelijksinzegening was aandoenlijk, vooral natuurlijk omdat Jacob en Elvie eindelijk in Suriname konden trouwen, na alle obstakels die ze overwonnen hebben. De ene helft van de kerk gevuld met de bosnegerfamilie. Aan de andere kant een paar blanken, de moeder van Jacob en zijn tante, een vriendin van zijn moeder en Jan en ik. De pastoor deed erg zijn best; ik merkte wel op dat er niet een hele mis gedaan werd - ik geloof dat er een paar problemen waren geweest met het lid zijn van de kerk of zo, maar ik weet het niet zeker. De pastoor hoopte echter dat het goed zou gaan met Jacob en Elvie, die uit zo verschillende culturen kwamen. “Ze moesten zich altijd, bij ruzies en zo, herinneren dat ze elkaar uit liefde het jawoord hadden gegeven. Belangrijk was ook dat ze kindertjes zouden maken, want dat was de bedoeling van God met het huwelijk.
Jan mocht getuige zijn. Daar was hij erg verguld mee, en ik ook.
Weer buiten de kerk stond er een leuke, kleine drumband te spelen. En er stonden een heleboel scouts toe te kijken. Die konden niet stil blijven staan bij de muziek van de trommels en dansten zo’n beetje heen en weer.

We werden met auto’s naar de feestzaal van de CLO gebracht, de ‘landsdienarenvakbond’, want daar zou het feest zijn. Er werd een hele grote geluidsinstallatie binnen gebracht , we kregen hapjes te eten en tenslotte de taart en champagne voor Jacob en Elvie. Verder hadden wij ook al gemberbier en stroop te drinken gekregen. En toen begon het dansen. Iedereen danst mee, groot en klein, van 1 jarige peuters tot oma’s. het meest heb ik genoten van de lange dans van Jacobs moeder met de vader van Elvie. En zij beiden genoten daar ook erg van.

We hadden nog geen slaapplaats, maar werden door iemand voor één nacht naar een goedkoop hotelletje gebracht. We hebben er goed geslapen, maar zijn de volgende dag meteen verhuisd naar een beter appartement.

Zaterdag 6/11, de tweede dag

Toen we ‘s morgens wakker werden had Jan als eerste een kop koffie en een krant nodig. Ik weet niet of hij de koffie had gevonden. Maar in de krant had hij een advertentie voor een appartement zien staan. Hij heeft meteen gebeld. Het klonk goed en we zouden er om twaalf uur zijn. Toen zijn we eerst naar de waterkant gegaan. Jaren geleden at Jan altijd bij Uncle Ré. Hij wilde eerst kijken of die ouwe vriend van hem daar nog was. Ja hoor die was er en hij keek vergenoegd dat Jan weer in het land was. We hebben er koffie en thee gedronken en toen zijn we richting fort Zeelandia gelopen. Ik was helemaal verbaasd. Ik wist wel dat er in Suriname oude houten huizen van de zeventiende eeuw stonden. .
Maar ik had niet kunnen vermoeden dat bijna de helft van Parimaribo, (tenminste de helft van wat ik gezien heb) uit mooie oude houten huizen bestond.
Het allermooiste vond ik de kleine huisjes van de eerste bevrijde slaven. Ik heb daar de hele week foto’s van willen maken, maar telkens was weer net mijn rolletje leeg. Maar sommige houten huisjes heb ik wel. En ook de houten kathedraal hebben we op foto. De huizen in de omgeving van fort Zeelandia zijn mooi gerestaureerd. Het ziet er indrukwekkend uit



We staken de weg over naar de Palmentuin. Het was zondagochtend, nog vrij vroeg. We waren de enigen in de tuin. Overweldigend was het gezang van de vogels daar. We hoorden er niks anders dan de vogels, Het was alsof alleen wij en 50 soorten verschillende vogels op aarde waren.


Na de palmentuin liepen we richting hotel Torarica. We zijn door het hotel naar achter, nar het zwembad gelopen. En hebben daar een kop koffie en thee gedronken.Ik merkte op dat het toch niet zoo erg chic was, want ons tafeltje was niet schoon gemaakt. Ook de serveerster die ons de koffie bracht maakt het niet schoon. Jan zei dat het ook geen zin had om te vragen het schoon te maken Waarschijnlijk zou je als antwoord krijgen dat we ook een ander tafeltje konden nemen.
Achter het zwembad stonden wat grote vogenkooien met mooi papegaaien erin. Er was een huis tegenover het Torarica hotel, dat vroeger door Erwin de Vries, de beeldhouwer als atelier was gebruikt. Jan had daar later een tijdje gewoond met Jandrik, zijn zoon. Jan vertelde dat hij daar een hoop oude tekeningen en andere kunst van Erwin bij elkaar heeft geraapt en geordend. “gered van verrotting” Hij heeft ze daarna bij Erwin gebracht.
In de lobby van het hotel zocht Jan in het telefoonboek het telefoonnummer van Erwin de Vries op. Hij was thuis en we waren welkom. We zijn met een taxi naar Erwin gegaan. Zijn ex was ook in huis. Ze scheen niet erg blij met onze komst te zijn, Maar schonk ons wel wat te drinken in. Ik verbaasde me over het aantal kunstwerken dat her en der verspreid in huiskamer en op het terras en in de tuin stond. Onder de trap lagen bronzen koppen van onder andere Den Uyl en Edgar Davids en nog veel meer beroemdheden. Het was erg gezellig om met Erwin te kletsen.En we zaten mooi op het terras chter zijn huis dat uitkijkt op de rivier. Hij beloofde Jan om eens een tekening van mij te maken . Ik dacht van Ja, als dat er dan ooit van komt—maar wel leuk om te weten dat het wel de bedoeling is.

Toen we vertrokken zijn we een eind terug gelopen langs een aantal dure woningen, onder andere van de Nederlandse ambassadeur en het huis van Jules Wijdenbosch, waar hij waarschijnlijk nooit in gewoond heeft. Jan herinnerde zich dat een eind verderop een taxibedrijf was, tenminste een woning van iemand die taxi reed. En jawel hoor. Daar stond een taxi. Daar tegenover woonde de dokter die toen Jan doodziek en straatarm in Suriname was hem 85 gulden had gegeven om dure, levensreddende medicijnen te kunnen betalen. Deze dokter bezoeken stond op ons programma, maar we hebben er geen tijd meer voor gehad.. Jan en de taxi chauffeur meenden zich elkaar te herinneren. En toen Jan even de auto uit was begon de chauffeur over meneer Jan. Ja ,voeger had hij ook voor Jan gereden. Hij heet zelf Sunil en heeft ons verder de hele week rondgereden.
Het appartement werd snel geregeld en toen gingen we eerst naar Marcia , die op het punt stond te bevallen. Marcia was onvoorstelbaar gelukkig dat ze Jan zag. Haar moeder was erg blij en Jan straalde. We hebben stroop gedronken en koekjes gegeten. Toen hebben we Marcia nog met een andere taxi naar haar vriend gebracht. ‘s Avonds hebben we gegeten in het tentje aan de waterkant.

Zondag 7/11, de derde dag


‘s Morgens zijn we vanaf ons appartement aan de Anamoeweg met bus 10 naar de grote markt gegaan. Natuurlijk keek ik mijn ogen uit naar alle groenten, kruiden en fruit. We hebben een hoeveelheid fruit gekocht waarvan ik alleen de manja kende. Zuurzak, cashew (de vrucht!) die ronde gele vruchten, zuur, maar wel lekker, Surinaamse kersen en het was knipa-tijd, die heb ik ook gegeten, al lopend op straat. Maar we gingen in de grote markt eerst op zoek naar een Javaans eethuisje. We wilden graag Saotosoep eten. Dat was de moeite waard. Saotosoep vind ik lekker.Daarna zijn we bij de West, de tweede krant van Suriname wezen kijken, De oude collega’s van Jan vonden het erg leuk om hem weer te zien. Vooral ‘meneer Boyd’, oude knip- en plakker. De West wordt nog steeds, zoals een schoolkrant met knippen en plakken in elkaar gezet. Maar we hoorden dat het nou toch echt zou gaan gebeuren: helemaal met de computer. Maar zover was het nu dus nog niet. We zeiden nog een keer terug te komen bij het ter perse gaan van de krant, tegen vijf uur ‘s middags. Omdat dan Findlay, Jan’s oude baas en de hoofdredacteur van de krant, bij de persen staat, er een krant uitpikt en eigenhandig controleert. Dat ritueel bestaat bij De West nog steeds.
Tegen één uur gingen we naar de waterkant om met een tentkorjaal de rivier over te steken. De bootjes voeren af en aan, want de scholen waren net uit. Een stuk of 30, 35 passagiers voeren er mee. We werden aan de overkant afgezet en zochten daar een busje richting Nieuw-Amsterdam op. Het was errug heet. Het busje was pas half vol. En Jan zweette als een gek en kon zijn lange benen niet kwijt. Dus hij stapte even uit. Gelukkig kon hij op het laatste moment nog net mee, En gelukkig voor hem zat hij een beetje voorin waar hij iets meer beenruimte had.We reden langs Jans oude huis in Meerzorg, wat op het ogenblik leegstaat, langs zijn supermarkt en zijn grote vriend , buurman Nassir naar Lust en Rust. We stapten uit en hadden een wandeling van een uur over een zandpad in de verzengende hitte voor de boeg. Maar het was een mooie tocht, mooie huizen, mooie planten en bloemen Bomen met telkens weer andere vruchten. Kostgrondjes (Moestuintjes van de mensen)
Er was werkelijk genoeg te zien. Om niet te vergeten de eeuwenoude, afgedankte auto’s die soms bij de huizen stonden, begroeid met soms bomen er in. Ik ben vergeten een foto te nemen van de planten die in de electriciteitsdraden groeiden. Halverwege kwamen we bij een absoluut enorme boom. Het interessante van de bomen is dat er een hele wereld van parasitaire planten op leeft. Die planten zijn bij ons in Nederland dan meestal gewaardeerde kamerplamten zoals bijvoorbeeld de gatenplant. En euh –iets wat op Yucca lijkt (of het is?) Bij die boom stonden ook weer een paar afgeleefde, begroeide auto’s. Toen we ongeveer op het einde van het pad gekomen waren, was het moeilijk voor Jan om het huisje van Bongo Charly terug te vinden. Vroeger was het een houten huisje, een beetje achteraf. Nu waren er grote nieuwe huizen omheen komen staan. En Jan twijfelde een beetje want er stond een klein stenen huisje tussen blokkendozen in. Zou dat het zijn? Vroeger was het van hout en de binnenmuren waren allemaal beschilderd met muurschilderingen van Gladys, de vrouw van Charly. Maar toen was er al houtrot opgetreden en er was al 1 muur van steen gebouwd. We kwamen dichterbij het huisje en we zagen dat op de witte buitenmuur wat muziekinstrumenten geschilderd waren.
Dit moet het dan toch wel zijn, zei ik tegen Jan.
Toen de deur openging deed een grote jongen open en achter in het huis hoorde ik: “Jan,” gillen. Het was Gladys. Ze kon er niet over uit dat Jan nu hier was. Ze had de afgelopen nacht van hem gedroomd. Ze was bang geweest dat er iets met Jan aan de hand zou zijn, misschien dood? Ze hadden vijf jaar niets van elkaar gehoord. Ik hoef niet te zeggen dat ze beiden erg blij waren elkaar weer te zien. Bongo Charly was niet thuis. Hij was op Curacao op tournee. Charly leeft van muziek en van muziekinstrumenten maken en verkopen. Hij moppert altijd op Readytex, de winkel die hem te weinig geld ervoor geeft en zijn instrumenten veel te duur weer doorverkoopt. Er waren nu niet erg veel eigengemaakte instrumenten in huis. Hij had zo veel mogelijk meegenomen naar Curacao.



Een muur van het huisje lag vol met opgestapelde boeken. Er stond ook nog een doos met boeken onuitgepakt. Allerhande boeken van interessant tot niks. Een broer stuurt ze op vanuit Nederland. Misschien zouden ze die wel in Suriname kunnen verkopen. Maar het lijkt erop dat de meeste Surinamers niet zoveel lezen. Vertellen doen ze wel, tories bij een djogo. Maar daarover later meer. Jan vond het erg jammer dat alle beschilderde houten muren verdwenen waren. Maar hij heeft er vroeger video’s van gemaakt. Ik zal hem eraan herinneren dat hij ze op DVD laat zetten en foto’s ervan maakt. Zodat Gladys iets van haar oude werk terug heeft. We werden door het huisje naar achter geleid. Ik had gehoord dat er een moeras was, maar het was nu helemaal droog. Het was zelfs zo droog dat het grote waterreservoir achter het huis bijna leeg was. Er stond nog een decimeter in. Wat zou ze doen als het water op is?
Bidden, zegt ze.
Ik heb mijn fles water maar laten staan. Later zouden we voor nog meer water zorgen Op de terugweg moesten we wel lachen. Die twee grote kasten van huizen van de buren hadden dus ook geen water? Er is in die buurt nog geen waterleiding. Die mensen moeten dus met jerrycans water gaan sjouwen. Dat vonden we wel mooi.
Het land daar was opgekocht door Rosan, een soort projectontwikkelaar die in ruil voor al het land vier huizen voor vier kinderen van de verkoper had laten bouwen. Ik zei dat Jan ook maar eens bij dieRosan om een perceeltje moest vragen, want Jan had verteld dat die man ooit eens een faxapparaat van hem had gekregen.
We waren al een beetje laat weer weggegaan, maar toen we ongeveer driekwart van het pad waren afgelopen, riep er een meisje achter ons: meneer Blom!
We draaiden om en werden uitgenodigd bij een familie met twee dochters die vroeger bij Jans datingclub Miti Switi waren ingeschreven. Ze waren alletwee nog niet aan de man. Een dochter ging naar school, maar de andere had een Nederlandse vriend met wie ze gedacht had te zullen gaan trouwen. Tot hij in de gevangenis kwam te zitten—erin geluisd,volgens hem, In november zou hij weer contact met haar opnemen. Maar ze had niets meer gehoord. Ze vroeg of Jan in Nederland niet een ander man voor haar wou zoeken. De moeder zei dat ze een schuld van Jan had betaald toen hij uit Suriname weggegaan was. Dus Jan gaf haar wat geld. We kregen twee gedroogde vissen mee en een portie diepvriesgarnalen-jammie!
Weer bij de weg gekomen namen we voor de tweede maal een busje richting Nieuw Amsterdam. In Nieuw Amsterdam: mooie bomen en verder mooie houten huizen, kanonnen, koetsjes en een brandweerspuit, alles van de Hollanders uit de zeventiende eeuw.Het allermooist was het uitzicht op zee waar de twee rivieren samenkwamen en erin uitstroomden. We liepen in verrukking en vol verbazing rond tot we ergens een heel grote kookpot zagen. Ik wou wel een foto van Jan in die kookpot.
Hij stapt er in en doet zijn t- shirtje uit. En ik vlei me in het gras om er een mooie foto van te maken.
Dan voel ik gekriebel en daarna prikken: ik ben midden in een mierennest gaan liggen.
Ik trek mijn shirt uit en probeer ze zo goed en ze kwaad als het kan van me af te slaan. Dan merkt Jan eindelijk wat er aan de hand is en komt de kookpot uitgestapt. Als ik eenmaal mierenvrij ben en Jan mijn T shirtje uitgeslagen heeft is mijn tas aan de beurt. Jan loopt op de mierenhopen af: drie soorten mieren, rode, grote zwart en kleine zwarte. Mijn tas (een soort jute) werd, zo leek het door de mieren kaalgevreten en Jan heeft zogoed en zo kwaad als het ging mijn spulletjes eruit gehaald. Gelukkig hadden we ook nog een plastic tasje, waar alles in kon. De foto van de kookpot heb ik toen maar laten zitten.
We gingen snel naar de rivier waar de bootjes naar de overkant zouden gaan.Maar het was te laat. Er lagen alleen nog maar twee oude bootjes zonder motor erop. Bij de bushalte aangekomen vroegen we ons af of er nog wel een bus zou gaan. De zon was ongeveer onder. En het wordt snel donker in de tropen! Daar stopte een autootje. We vroegen de bestuurder of hij iets wist van boten of busjes. Maar hij begon, zonder iets te zeggen ruimte te maken voor een zitplaats achterin en met een beetje moeite kon Jan zich erin wurmen. We hebben toch nog geanimeerd zitten praten en hij heeft ons naar huis gebracht.
Daar hebben we ons opgefrist en Sunil, onze taxichauffeur gebeld voor een rit naar het ouderlijk huis van Elvie. Jacob was jarig en dat vierde hij bij Elvie’s ouders thuis. Het is een heel klein huisje met veel kinderen en kleinkinderen erin. Helemaal propvol, maar erg gezellig. Eigenlijk te vroeg, maar op de afgesproken tijd kwam Sunil ons weer ophalen, maar we waren toch erg blij toen we in ons bed lagen.


Vierde dag
Ruim voor negen uur stond Sunil alweer al op de stoep. We zouden naar Gran Kreek gaan. Naar de ouders van Rosita in een indianendorpje. Ik was de hele week al op zoek geweest naar een centimeter, maar niet gevonden. We zouden de maten op nemen van de broertjes en zusjes van Rosita. Zij woont zelf in Amerika en wilde met kerst kleren voor de familie opsturen. Het was nogal een eind rijden, eerst over de Kwattaweg, waar veel (drugs?) paleizen staan. We wilden wat boodschappen onderweg voor de familie. Ze zijn behoorlijk arm. Maar de winkels die we aandeden, hadden geen superrijst. Na een lange tocht kwamen we in de buurt . Toen hebben we wat voorraad in de winkel bij het dorpje gekocht. We lieten aan Sunil over te beslissen wat we moesten hebben. Behalve een grote zak rijst vijf flessen olie, een paar blikken vis en snoep voor de kinderen. Naruurlijk ook een paar flessen Djogo (bier) met een paar cusen erbij.Er zaten een paar maanen in de winkel te praten. Alle waren van de winkel waren helemaal achter tralies. Het koste nogal wat moeite en getsteggel om de prijs uit te rekenen. D winkelier was aanvankelijk vergeten de rijst te rekenen. Sunil bemoeide zich ermee. En na veel overleg besloten ze wat de prijs was. Op het laatste moment zag ik ook nog een meetlint liggen. Het was er een vrolijke boel geworden, maar eindelijk waren we dan weer weg.
We moesten even zoeken naar het huisje van de familie. Toen we het gevonden hadden kwam al gauw de moeder aanlopen met een paar meisjes. Er staat op hun plaats in het bos een houten huisje waar de slaapplaatsen zijn.
Op de buitenplaats staat een soort open hut. Het zijn palen met een rieten dak erboven. Daaronder is onder andere een kookplaats, Er hangt een hangmat en er staan twee bankjes om op te zitten. We haalden de djogo te voorschijn Het werd vanzelf steeds gezelliger. Dit is dus djogo drinken en tories vertellen. De vader kwam aanlopen. Op zijn rug had hij een zak met casavewortels. Hij leegde de zak op de grond. Er werd meer djogo bijgehaald. Jan vroeg hoe het met werk en inkomsten was. En hoe het met de oudste dochter en haar kinderen was en dat zoort dingen meer. De vader zou graag een jachtvergunning hebben, dan zou hij op wat wild kunnen schieten. Ik stond op en liep rond om alles te bekijken. Hier een kraantje, daar hingen een paar zwartgeblakerde pannen te drogen in een boom, een oude, kapotte fiets. .Er was ruimte genoeg voor al het huisraad .Er stond een in elkaar getimmerde stellage waar plastic bakken op stonden. Een hond was in de cassavemand gaan liggen, de cassave lag er naast. De hele open plek had iets van een kampeerplaats. Er hing ook nog een vogelkooi in een boompje. Daar hing ook de zak, van palmbladeren gemaakt, die nodig is om de geraspte cassave in uit te laten lekken Eenden liepen er rond, kippen en een haan, twee hondjes. De ene grote boom was een broodvruchten boom. Aan de andere boom groeiden grote pompelmoezen. Het lijkt wel op grapefruit, maar is toch wel anders, in ieder geval veel groter. Kijk maar naar de foto’s en zie dat ik mijn ogen uitkeek. Toen we gingen namen we twee pompelmoezen en cassave mee. We reden een eindje om naar de schoonfamilie van Sunil. Waar we even gepraat hebben, ik kon het hindi wel een beetje verstaan omdat het vrijwel hetzelfde als Urdu is.
Tuis hebben we eindelijk eens een flinke siesta gehouden.
‘s Avonds zijn we naar Mixed Café gegaan bij het water waar we lekkere vis gegeten hebben. Jacob en Elvie waren er ook. Een lekker ontspannen avondje. Even doorgelopen naar een ik weet niet wat voor ongbruikt leeg en kaal gebouw, waar het spookachtig was.. Ik zag er al een toneelstuk opgevoerd worden en Jan zag er meer het decor voor een film in.Op de een of andere manier zijn we ook weer thuisgekomen. Maar dat herinner ik me niet meer precies.


De zesde dag

Dit was de dag van ons vertrek alweeer. Zoals afgesproken kwam Sunil ons op tijd halen. Weer spraken Jan en Sunil over de handel die ze samen zouden gaan doen. Toen we bij de busjes kwamen die naar de grensriver, de Marowijne, gingen was het plotseling een heksenketel op straat. Jan werd even flink boos en zei dat hij zelf wel uit zou zoeken met wie we mee wilden rijden. Verschillende mannen hadden aanstalten gemaakt om de kofferrruimte alvast te openen. Ondertussen praatte Sunil met een wat oudere hindoestaanse man. Hij zei ons met die man mee te gaan. Toen we onze koffers gepakt hadden was Sunil erg snel weg. Het busje was in prima staat. En de man reed hard. Te hard, naar mijn smaak. In het begin was ik erg bang, maar ik kreeg mezelf onder controle. Hij reed hard, maar hij reed goed. We waren in twee uur in Albina. Hij zette ons af bij ons favoriete restaurantje. We hebben daar van onze laatste Surinaamsse maaltijd genoten. En Sunil belde. Hij zei dat het hem in de drukte bij de busjes te erg was en dat hij nu, telefonisch afscheid nam.Daarna belde Jan voor de laatste keer naar Maarcia. En? De baby was geboren, alles was goed gegaan. Hij heet David en is om half negen geboren, een half uur nadat wij uit Paramaribo vertrokken waren.
Het vaartochtje over de Marowijne ging snel en prettig. Er stond in Frans Guyana al een busje klaar om ons weer naar Cayenne te brengen. De busjes stonde op een honderd meter afstand van het douanekantoor. Maar omdat we zo zouden wegrijden zijn we maar niet meer naar de douane gegaan. Onze spullen dan maar zonder ongecontroleerd van Suriname de EEG binnengebracht. In Cayenne meteen naar ons oude hotel gegaan. We kregen een nog mooiere kamer, met een ligbad. Het eerste wat ik deed was dus dat bad uitproberen. Daarna zijn we de stad ingegaan. Het was nog siësta tijd en errug stil op straat, veel stiller dan ik ooit midden op de dag in Paramaribo gezien heb. We zagen een echte oude gevangenis, een heel hoge muur, met prikkeldraad erboven. Het leek op wat ik gezien had in Papillon. En Duivelseiland is ook wel erg in de buurt hier. Maar het schijnt duur te zijn om er met de boot naar toe te gaan. Er wordt vanzelfsprekend van de toeristen geprofiteerd. Cayenne is een vreemde, onwerkelijke stad. Zeker als het in het centrum zo stil is.Maar daar op het plein van de palmisten was iets te doen. Een uitstalling van het Franse leger om nieuwe recruten te werven. We hebben er een beetje bij staan lachen. Allemaal tentjes, met technische ploegen en ziekteploegen, met een zeer bloedende pop erbij onder andere, met een mes in de rug. Publiek was er niet veel, dat lag nog te slapen, later zou het wel drukker worden. We kregen ondertussen honger, Jan wilde wel aan een kraampje franse crepes eten, maar daar had ik nou helemaal geen zin in. Dus we liepen door, tot we aan zee kwamen. Zeer vreemd waren daar wel een paar privéhuizen, maar geen eethuisjes, strandtenten of iets dergelijks. Wel erg mooi uitzicht. Er waren een paar mannetjes jeu de boules aan het spelen. Toen we wat gezeten hebben en vreselijk van het uitzicht genoten hebben gingen we maar weer terug. Toen zagen we dat er tóch een hotel aan zee lag. We hebben even gekeken, maar veronderstelden dat het veel te duur zou zijn. De zon ging bijna onder maar we hebben nog even op een plein rondgelopen met oude franse gouvernements gebouwen en véél Franse vlaggen. Ik vond dit er ook erg onwerkelijk uitzien. Vooral omdat ook hier weer geen mens te zien was. Alle restaurantjes of cafés waren gesloten. We waren er achter gekomen dat er een christelijke feestdag was. Ik vroeg me even af, welke dan>? 11 –11 Sinte Maarten?
En daarom is het hier zo stil en is alles gesloten? We liepen uiteindelijk een straatje in, waar we van een afstand een terrasje zagen. Dichterbij gekomen, zagen we dat het helemaal vol zat met mannen. Het bleken Nederlandse mariniers te zijn. Wéér zo iets raars in het uitgestorven stadje. De Hollandse jongens waren erg uitgelaten en dronken er vrolijk op los. Ze waren op oerwoudtraining in Frans Guyana geweest. Wij vonden eigenlijk niks goed genoeg, want de mariniers waren net weer íets te druk. Ze hebben ons wel een plek gewezen waar we konden eten. Wij liepen weer terug en zijn uiteindelijk maar op een terras gaan zitten, wat we wel eerder hadden gezien, maar ons niet zo aantrekkelijk had geleken. Vlak vóór ons liepen er een paar mariniers naar binnen, die duidelijk iets wilden eten. We konden snel bestellen, maar toen begon het lange wachten. Ik keek even naar binnen en zag daar aan een lange tafel twee rijen Mariniers zitten , die ook allemaal wilden eten. Er was een zeer aardige dienster, die even kwam zeggen dat de kok het nog even moest koken. Koken? We hadden een salade van de zee besteld. Maar het was dus zo, de kok had de vis en garnalen gekookt en af laten koelen voor we konden eten. Maar het lange wachten werd beloond. Zo’n lekker salade hadden we zelde eerder gegeten , een heel lekkere vis en een dresing erover die we helemaal van het bord afgelikt hebbe, maar geen idee wat erin gezeten heeft.
Ondertussen was er wel leven op straat gekomen. Het begon er zelfs op te lijken dat Cayenne toch wel een druk stadje was.


De zevende dag

Om vier uur werden we gewekt door de telefoon van het hotel. Om half vij in de taxi op weg naar het vliegveld. Daar was het uitgestorven. We vroegen ons af of we wel binnen konden. Jawel, dat kon, maar er was verder helemaal geen leven in de hal of ook maar ergens. Omdat er niets te doen viel gingen we maar weer naar buiten . De parkeeplaats was omzoomd door palmbomen. Het was stil, tenminste er was nergens een geluid te horen dat van mensen afkomstig was. Wel veel vogels te horen. Op een uitgestorven luchthaven duizenden vogels aan het zingen. We hebben er stil naar zitten luiteren. En ik heb het opgenomen op mijn telefoon.
Na een paar uur vliegen kwamen we aan op het eiland Guadaloupe, met de hoofdstad Pointe a Pitre.
’t Was ongeveer elf uur toen we daar naar buiten gingen. Volgens internet moest er een bus naar de stad vertrekken, mar geen bus te zien, We hebben op de uitvalsweg staan liften en weer binnen de minuut een lift gekregen. De chaufeur heeft ons uitgebreid verteld waar we op de terugweg toch een bus konden pakken en zette ons af bij de grote winkelstraat van Pointe a Pitre. Die straat aflopend kwamen op de markt. Er waren hier heel andere dingen te koop dan in Suriname op de markt, weer andere groenten, die ook Jan niet kende. En verder heel veel kruiden, waarvan we de meesten wel kenden, zoals it demaat gegroeide pijpkaneel, vanillestokjes, gedroogde pepertjes etc. Maar ook een afrodisium, vooral bestemd voor mannen geloof ik. Hier stond een heel ander soort huizen. Typerend vond ik de gietijzeren balkonnetjes. Overal eethuisjes en terrasjes, straatmuzikanten. Zelfs een standbeeld van een straatmuzikant. We zijn naar de zeehaven gegaan. Jan had er herinneringen aan toen hij hier op zijn zeventiende met een vrachtschip vanuit Nederland hier geweest was. Pointe a Pitre was vanzelfsprekend groter geworden, maar nog steeds mooi en speciaal. Er was ook een haventje bij de markt waar de vissersbootjes aangemeerd lagen en vanuit hun bootje vis verkochten. We hebben leke rond gelopen tot ik het erg benauwd begon te vinden. Ik kon niet goed verder meer lopen. Toen ik eigenlijk niet meer wou begon het te regenen. Heerlijke regen. Daarna was de lucht opgeklaard en kon ik weer een halve dag mee. Ik heb nu gemerkt wat het verschil in klimaat is. Dit vochtige klimaat op de boven- (beneden-?) windse eilanden is een beetje moeilijk. Suriname daarentegen is gewoon heet. En ik vond dat, bedacht ik me, veel lekkerder dan ik ooit had kunnen verwachten. (Want ik heb ervaring met de hitte van Karachi-waar ik niet goed tegen kan). We gingen terug met de bus tot aan de autoweg richting vliegveld. Het laatst stukje liepen we langs die autoweg, leuk vond ik het, wij als stelletje ouwe zwervers,of hippies of wat zou het goeie woord zijn.
In het vliegtuig kreeg Jan even last van claustofobie o.i.d. , maar gelukkig duurde het niet lang Hij zette zijn oordopjes op en heeft gekozen voor het ontspanningskanaal en hij heeft een stuk stuk van de nacht liggen slapen. Ik wat minder.

De achtste dag
’s Morgens kwamen we in Parijs aan. Recht het het dure metrolijntje zonder bestuuder in.
Nog steeds had er helemaal niemand, douane of zo, ook maar iets van onze bagage gecontroleerd. Ik meende dat er 100 procent controle was op reizigers uit Suriname. Ik denk dat er in ons vliegtuig ook wel enkele cocaïne smokkelaars zaten. Zo makkelijk kan het nergens. Gewoon vanf Suriname de Marowijne over naar Frans Guyana. Helemaal nergens worden je koffers gecontroleerd!
Toen stonden we plotseling ergens buiten op straat.
Het was koud!
We liepen langs de Seine in de buurt van van de Notre Dame, wat een imposante kerk. Jan ging op zoek naar het ouwe hotelletje ( de naam----) waar hij 40 of dertig jaar geleden geslapen had.Ze huurden toen met zijn tweetjes een hotelkamer,waarna ze er soms met zijn zessen sliepen. Het stonk er altijd in het trappen huis waar de wc’s—gaten in de grond, dus- waren. Het was een gribus, zei hij. We hebben het gevonden. Konden het niet laten even naar binnen te gaan om te vragen. De receptionist was zeer aardig en gaf ons de sleutels van twee kamers mee om te bekijken
Zo mooi, kleine kamertjes met een trapje naar een zitje, houten bureautjes, Geen behang aan de muren maar gestoffeerd!
We keken even naar de prijs 350 euro per nacht. We willen daar toch wel eens voor een weekendje heen. Later als ik rijk ben.
We gingen koffie drinken omdat het nog steeds koud was op straat. Ik ging beneden bij de wc’s naar huis bellen. Buiten, brrrr. Het was onze duurste koffie die reis. 18 euro voor vier cappuchino’s. We hadden nog net een klein beetje geld over voor brood, kaas en water voor de busreis terug.
De bus vertrok om half twee. Er waren een paar passagiers. Jan en ik namen de achterbank. Om beurten hebben we weer geslapen. Jan een beetje meer dan ik. Om half tien stonden we op het Amstel station.
De eerste twee nachten thuis heb ik geslapen zoals ik in maanden niet gedaan heb.